Type 1 Diabetes

_MG_0612_webres

Het afweersysteem

Type 1 Diabetes is een zogenaamde ‘auto-immuun’ ziekte (van het Griekse ‘αὐτός’ dat zelf betekent). Dit betekent dat het afweersysteem het eigen lichaam aanvalt. Normaalgesproken valt het afweersysteem alleen het eigen lichaam aan als het lichaamscellen ziet die ziek zijn. Dit kan bijvoorbeeld zijn als er bacteriën of virussen in een cel zitten. Het afweersysteem maakt in dit geval kleine herkenningsstofjes aan, die antistoffen heten.

Deze antistoffen markeren de zieke cellen, door er als het ware een vlaggetje op te zetten. Vervolgens kan het afweersysteem die gemarkeerde cellen aanvallen. Hierdoor worden niet alleen de cellen gedood, maar ook de bacteriën en virussen die erin zitten. Zo voorkomt het lichaam dat de ziektekiemen zich door het lichaam kunnen verspreiden.

Antistoffen tegen bètacellen

Belangrijk bij Type 1 is dat het afweersysteem antistoffen maakt tegen de bètacellen in de alvleesklier. Dit worden ´auto´-antistoffen genoemd (antistoffen tegen een deel van je eigen cellen). Hierdoor worden de cellen die insuline maken gemarkeerd alsof ze ziek zijn. Deze cellen worden daardoor aangevallen en stuk gemaakt door het immuunsysteem. Andere cellen in de eilandjes van Langerhans worden niet aangetast.

Kapotte insuline

Er werd altijd gedacht dat dit puur een fout van het afweersysteem was. De bètacellen in de alvleesklier zouden slechts het onschuldige slachtoffer zijn. Maar begin 2017 werd dat in twijfel getrokken door Bart Roep en Arnaud Zaldumbide, onderzoekers aan het Leids Universitair Medisch Centrum.

In hun onderzoek vonden ze dat bètacellen onder druk kapotte insuline kunnen gaan produceren. Deze kapotte insuline werkt niet zoals normale insuline en heeft geen effect op de bloedsuikerspiegel. Erger nog, het afweersysteem herkent de cellen die kapotte insuline maken en valt ze aan. Hierdoor komt er meer druk op de cellen die nog wel normale insuline maken. Er kan dan een neerwaartse spiraal ontstaan, waarbij steeds meer bètacellen aangevallen worden.

En wat gebeurt er dan?

Doordat de cellen die insuline maken kapot zijn of de insuline zelf kapot is, kan de alvleesklier de bloedsuikerspiegel niet meer stabiel houden. Daarom moeten mensen met Type 1 dit zelf doen. Dit houdt in dat ze zelf regelmatig hun bloedsuikerspiegel moeten meten en insuline spuiten om deze stabiel te houden.

Het kan bij Type 1 (regelmatig) voorkomen dat de bloedsuiker te hoog of te laag is. Een te hoge bloedsuikerwaarde wordt een hyperglycemie of hyper genoemd. Een te lage waarde heet een hypoglycemie of hypo. Als je Type 1 hebt moet je dit zelf corrigeren, omdat je alvleesklier dit niet meer kan. Als je koolhydraten gaat eten of en een hyper hebt, moet je extra insuline spuiten. Terwijl je juist wat suiker moet eten als je een hypo hebt.

Blijf op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen rondom Type 1 Diabetes. Schrijf je in voor onze nieuwsbrief! en volg ons op de Sociale Media!

facebook.thumbnail twitter.thumbnail linkedin.thumbnail

Bekijk ook deze film (in het Engels)